Hoe meer weten over uw slechte betalers?

Het gebrek aan financiële informatie over een schuldenaar is vaak heel vervelend. Zeker gewone, niet bevoorrechte, schuldeisers hebben dikwijls niet voldoende toegang tot informatie om de juiste beslissingen te kunnen nemen.

De wet biedt een aantal mogelijkheden om informatie in te winnen die wellicht niet genoeg gebruikt worden.

Artikelen 21 en 22 van het Wetboek van Koophandel

Art. 21 van het Wetboek van KoophandelArt. 21 van het Wetboek van Koophandel bepaalt dat een rechter de overlegging van de volledige boekhouding van een handelaar (ook een handelsvennootschap dus) kan bevelen ingeval van o.a. verdeling van een vennootschap en faillissement. Artikel 21 speelt niet ingeval van een onderneming waarvan de betalingsverplichtingen zijn opgeschort in het kader van een WCO procedure.

Voor art. 21 is het voorafgaand bestaan van een procedure niet vereist (de vordering op grond van art. 21 vereist natuurlijk wel zelf een procedure). De bestaande rechtspraak vereist wel een beoordeling van de motieven van die vordering. De beoordeling kan ook een afweging inhouden met het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de schuldenaar of haar mandatarissen.

Art. 21 kan dus nuttig zijn indien de schuldeiser over gewichtige aanwijzingen van onregelmatigheid beschikt maar die nog niet voldoende vindt om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen. Art. 21 kan ook tactisch gebruikt worden om bvb. een curator tot meer openheid of actiebereidheid aan te zetten.

Art. 22 van het Wetboek van Koophandel bepaalt dat een rechter, zelfs ambtshalve, in de loop van een geding de openlegging kan bevelen van een deel of het geheel van de boekhouding. Art. 22 kan dus wel enkel in het kader van een procedure worden ingeroepen maar vereist anderzijds geen faillissement.

 

Artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek 

Art. 22 overlapt met de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepalingen laten de rechter toe aan de partijen te bevelen het bewijsmateriaal dat ze hebben over te leggen. Dit gerechtelijk bevel kan er komen op initiatief van de rechter zelf of op initiatief van één van de partijen. De rechter is niet verplicht de overlegging van de stukken te bevelen maar heeft toch niet de volledige vrijheid om een verzoek in die zin af te wijzen. De rechter zal een dergelijke afwijzing moeten motiveren, net zoals de partijen hun verzoek zullen motiveren.

De reden waarom in de praktijk vrij weinig beroep gedaan wordt op de hier besproken wettelijke bepalingen is in eerste plaats dat ze bijna steeds pas resultaten zullen opleveren na een faillissement. Desondanks kunnen het nuttige instrumenten zijn, hetzij om druk uit te oefenen hetzij om minstens een deel van de vordering te verhalen via een aansprakelijkheidsvordering. Een tweede verklaring is daarom waarschijnlijk dat het zoeken naar bewijsmateriaal niet voldoende onderdeel is van onze rechtscultuur.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *