Mag de politie je smartphone lezen?

Het Belgische Hof van Cassatie en het (Nederlandse) Gerechtshof Arnhem Leeuwarden moesten beiden recent beslissen over het recht van de politie om in beslag genomen smartphones te lezen. Op vergelijkbare wettelijke basis besliste het Hof van Cassatie voor en het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden tegen. Volgens Cassatie verandert de nieuwe technologie juridisch niets, terwijl het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden aan de veranderde technologie wel veel belang hecht. Bovendien houdt het Gerechtshof ook rekening met de beperkende werking van art. 8 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (recht op privacy).

Het Wetboek van Strafvordering laat de procureur des Konings
toe alles in beslag te nemen wat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Volgens het Belgische Hof van Cassatie, in een arrest van 12 februari jl., is dat voldoende wettelijke grondslag voor het uitlezen door de politie van het geheugen van een GSM of smartphone.

In een artikel in de Juristenkrant (8 april 2015) verdedigt substituut procureur generaal Pim Vanwallegem de cassatierechtspraak door erop te wijzen dat een smartphone weliswaar veel persoonlijke gegevens bevat maar dat dit niet anders is met papieren agenda’s of portefeuilles. Een verschil in rechtsbescherming van dezelfde informatie is volgens hem dan ook niet te verantwoorden.

Op 22 april van dit jaar besliste het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een geheel andere richting. Het Nederlandse Wetboek van Strafvordering bevat een gelijkaardige bepaling als het Belgische: “Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.” Op grond van deze bepaling onderzocht ook de Nederlandse politie een mobiele telefoon.

In deze zaak overwoog het Nederlandse hof evenwel dat het onderzoeken van een smartphone met privé-informatie niet kan op basis van de algemene beslagregeling zonder een voorafgaande beoordeling van de proportionaliteit van dit onderzoek. Het hof stoelt zich daarvoor op artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het meent heel uitdrukkelijk dat de technische ontwikkelingen ervoor zorgen dat de oude regels niet zomaar kunnen worden toegepast, of in ieder geval dat er een conflict ontstaat tussen een te algemene oude regel en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het uitlezen van smartphones door de politie levert dus op korte tijd twee totaal contrasterende uitspraken op.

Hoewel recht best technologie neutraal is, is het te absoluut te stellen, zoals Pim Vanwallegem doet, dat informatie niet verschillend kan behandeld worden in functie van de drager ervan of van de manier van overdracht. De Belgische wetgeving kent reeds meerdere voorbeelden van een dergelijke verschillende behandeling, met name inzake persoonsgegevens (geautomatiseerde verwerking of niet) maar ook inzake reclame (bvb. spam via elektronische communicatiemiddelen).

Bovendien gaat de vergelijking tussen een smartphone en een persoonlijke agenda niet volkomen op. Smartphones bevatten informatie die voorheen niet bestond of niet toegankelijk was. Daardoor ontstaat voor de persoonsgegevens een andere situatie dan voorheen bestond, net zoals de auto het verkeer en de verkeerswetgeving radicaal veranderd heeft of het internet de financiële transacties of het auteursrecht. De spanning tussen wet en werkelijkheid kan niet eindeloos opgerekt worden. Het is daarom weinig waarschijnlijk dat het arrest van 12 februari de discussie over de bevoegdheid van de politie om zonder opdracht van de onderzoeksrechter smartphones te doorzoeken afsluit.

Tot slot: het arrest van het Hof van Cassatie is naar ik kon nagaan nog niet gepubliceerd op juridata, de rechtspraak site van justitie. Het lijkt gemakkelijker toegang tot een smartphone te krijgen dan tot de rechtspraak.

Luc Van Caneghem

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *